proza01

Proza

Vliegen (uit: Sammie en opa)

Het is een van de laatste warme dagen van het jaar. Opa en ik hebben een wandeling gemaakt langs de weilanden achter ons huis. Ik huppel de heuvel op. Mijn voet is weer helemaal genezen. Nu zitten we op een bankje boven op de heuvel en kijken uit over het glooiende landschap. Beneden, aan de rand van de wijk, ligt ons huis. Af en toe vliegen er grote zwermen vogels over.

‘Ze gaan naar het Zuiden,’ zegt opa.

‘Ik wou dat ik een vogel was,’ zeg ik.

‘Wat bedoel je?’

‘Ik wou dat ik kon vliegen.’

‘Maar weet je dat dan niet?’

‘Wat?’

‘Dat heb ik je toch wel verteld?’

‘Wat, opa, wat?’ Er komt weer een verhaal, dat voel ik.

‘Jij kunt vliegen.’

Ik lach. Ik sta op en beweeg mijn armen zo snel als ik kan omhoog en omlaag, maar ik stijg niet op. Ik kom nog geen centimeter van de grond.

‘De meeste mensen zijn het verleerd, maar baby’s kunnen het nog.’

‘Niet waar.’

‘Toen jij klein was, heb ik je op een dag uit het raam gegooid. Je oma schreeuwde moord en brand, maar jij vloog een rondje, een prachtige cirkel met een koprol toe, zo terug in mijn armen.’

‘Echt waar?’

‘Zo waar als ik hier zit.’

‘Dat kan niet!’

‘Zeker wel. En we zouden het nog kunnen, jij en ik: als we het maar heel erg zouden geloven.’

‘Ik heb nog nooit een mens zien vliegen.’

‘Dat komt omdat de mensen niet meer durven te geloven. Pas als je durft te geloven, echt helemaal, zonder een spoortje twijfel, durf je ook te springen.’

Ik denk hierover na. Het kan waar zijn. Mensen kunnen drijven, mensen kunnen autorijden. Waarom dan niet vliegen? Ik denk aan juf Linda, hoe ze voor het bord staat en een rondje draait op haar hoge hakken. Dan raakt ze bijna de grond niet.

‘Heb jij weleens gevlogen, opa?’

‘Zeker. Toen ik jong was, vloog ik veel. Als ik bijna te laat op school was bijvoorbeeld, dan steeg ik op uit de achtertuin en landde zo op de stoep achter de school. En later ook nog weleens, als er hoog in de mast iets gerepareerd moest worden. Maar je moet er mee oppassen, Sam, mensen schrikken ervan.’

‘Hoezo?’

‘Ze zijn ervan overtuigd geraakt dat het niet kan, en als je iets doet wat niet kan, dan schrikken mensen, of ze vinden het raar. Je moet het alleen doen als niemand het ziet.’

‘Denk je dat je het nog zou kunnen?’

Opa aarzelt. ‘Als ik me heel erg zou concentreren.’

‘Doe eens?’

‘Nee, nu even niet, ik zit net lekker.’

‘Straks dan?’

‘Een andere keer, Sam.’

Thuis ga ik in mijn raamkozijn zitten en ik stel me voor hoe het zou zijn om te springen, mijn armen uit te slaan en te vliegen. De lucht zal mijn haren laten wapperen en de snelheid zal me opwaartse kracht geven. Ik zal hoger en hoger, sneller en sneller gaan. Het zal geen moeite kosten. Ik maak een looping, een salto, en dan spreid ik mijn armen en zweef. Ik zie de huizen onder me met hun tuintjes, de auto’s in de straat, de fietsen, een trein, de groenteboer en de speeltuin. Ik maak een duikvlucht boven mijn school en een koprol in de lucht voor het raam van mijn klas.

Maar in werkelijkheid zit ik nog steeds in mijn raamkozijn. Voorzichtig leun ik naar voren. Maar steeds als ik bijna mijn evenwicht verlies, twijfel ik. En bij twijfel: niet doen, zegt opa. Twijfel is als een kapotte motor, legt hij uit, je stort neer, echt waar.

‘Vlieg je nu nog weleens?’ vraag ik de volgende ochtend bij het ontbijt.

‘Ik?’

Opa lijkt overvallen door de vraag, maar dan geeft hij toch antwoord. ‘Natuurlijk! Ik ben het nooit verleerd!’ roept hij. ‘Maar eigenlijk niet meer erg vaak, Sam,’ voegt hij er snel aan toe.

‘Mag ik het eens zien?’ vraag ik hem.

‘Binnenkort,’ zegt hij.

‘Nu!’ roep ik en ik ren de trap op.

‘Nu niet, Sammie!’ roept opa me na.

Ik draai me om en loop terug naar de keuken. ‘Waarom niet?’ vraag ik.

‘We moeten naar school.’

Ik kijk hem verbaasd aan. Meestal kan het opa niets schelen wat er wel of niet moet gebeuren.

‘Eet je bord leeg.’

Ik ga weer aan tafel zitten en eet mijn boterham met hagelslag op. Het is een tijdje stil.

‘Ik vlieg ’s nachts,’ zegt opa ineens.

‘Waarom ’s nachts?’ vraag ik.

‘Dan ziet niemand het.’

Die nacht probeer ik wakker te blijven. Ik sper mijn ogen open en bijt op mijn vingertoppen tot het donker is. Dan stap ik uit bed en loop zachtjes naar het raam. Ik speur de hemel af, maar zie niets. Alleen de donkere lucht met grijze wolken die voorbijglijden. Ik blijf staan en wacht. Ik neem me voor niet terug naar mijn bed te gaan voordat ik opa heb gezien. Ik wacht en wacht, maar de lucht blijft leeg. Ik zie een vliegtuig, zijn zoeklicht verlicht de wolken. Ik krijg het koud, maar wil geen trui of sokken aantrekken. Dan komt hij natuurlijk net over en mis ik hem. Nee, ik moet blijven staan.

Opeens zie ik hem. Heel hoog in de lucht. Zijn jaspanden wapperen in de wind en hij schreeuwt: ‘Joehoe! Joepie! Woesj!’

Ik houd mijn adem in, ga op mijn tenen staan en doe mijn uiterste best hem te volgen. Misschien vermoedt hij dat ik hier sta en maakt hij straks nog een extra salto of komt hij nog even langs mijn raam vliegen. Maar ik zie hem niet meer. Hij is achter een wolk verdwenen, of hij zit met bungelende benen op de maan. Misschien was het hem echt, of zou ik toch heel even in slaap zijn gevallen en was het een droom?

Ik ga naar bed en kruip diep onder mijn dekbed. Mijn voeten zijn zo koud als sneeuw en het duurt heel lang voor ze weer warm zijn.

‘Ben je ver geweest?’ vraag ik de volgende morgen bij het ontbijt.

Opa kijkt me verbaasd aan.

‘Ver?’ vraagt hij.

‘Ben je ver wezen vliegen?’

Opa verslikt zich bijna in zijn koffie. ‘Heb je me gezien?’

Ik knik.

Opa glimlacht. ‘Dat was niet de bedoeling,’ zegt hij.

De dagen daarna blijf ik vragen of hij me wil laten zien hoe hij opstijgt. Gewoon, een klein stukje met zijn voeten van de vloer, of een minirondje boven de tuin, maar er is altijd wat. Soms heeft hij pijn aan zijn gewrichten, soms is het te laat, of nog niet donker, een keer heeft hij geen zin, en een andere keer hebben de buren een feestje.

‘Ik geloof je niet!’ roep ik als hij zegt dat het niet kan omdat hij vandaag te veel heeft gedronken.

‘Wat zeg je?’ Opa zet zijn biertje, dat hij net naar zijn lippen heeft gebracht om te drinken, terug op tafel en staart me aan.

‘Ik geloof je niet, je houdt me voor de gek.’

‘Zou ik jou ooit voor de gek houden?’ vraagt hij.

Ik denk na.

‘Heb ik jou ooit voor de gek gehouden?’

‘Nee.’

‘Zie je wel.’

Hij meent het, ik zie het aan zijn gezicht.

‘Laat het me dan zien, opa, toe.’

‘Ik zal het je laten zien! In volle glorie! Ben je bedonderd, ik jou voor de gek houden, ik zou niet durven!’ Opa springt op en rent naar boven. Op mijn kamer gooit hij de ramen open en hij klimt in het raamkozijn. Hij werpt een blik naar beneden. ‘Wacht even.’ Hij springt weer op de grond en trekt zijn schoenen uit, maakt zijn das los en doet zijn jasje uit. Opnieuw klimt hij in het raamkozijn, nu met minder bravoure, dat zie ik wel. En opeens heb ik een nieuw gevoel, een gevoel dat ik daarvoor niet kende. Ik wil mijn opa beschermen.

Ik grijp hem bij zijn mouw. Eerst reageert hij niet. Hij staat als versteend naar beneden te staren, naar de tuin, die er echt niet anders uitziet dan anders. En ik weet opeens heel zeker dat mensen niet kunnen vliegen. Ook mijn opa niet.

‘Opa,’ zeg ik, maar hij hoort me niet. Hij buigt zich naar voren, heel even wankelt hij. Hij ziet wat grijs om de neus en grijpt zich vast aan het kozijn.

‘Opa, zullen we wie – is – het spelen?’ vraag ik hem. Niet dat ik daar echt zin in heb, maar ik weet niet hoe ik hem anders weer naar beneden kan krijgen.

Opa klimt naar beneden. Hij klopt zijn broek af – stof dat er niet opzit, want hij heeft zich helemaal niet vies gemaakt – en hij zegt: ‘Wie – is – het. Goed idee.’